wat te doen als je honderd kilo kroketten van je eigen recept wint

Keuringsdienst van Waarde-tje spelen

Keuringsdienst van Waarde-tje spelen

De man waar ik mijn idiote avontuur aan heb te danken, heet Koen de Jong. Hij heeft samen met zijn broer Bart een kleine soepen- en snacksfabriek in Rijen (Brabant) en hij houdt wel van een geintje. Dus toen de organisatoren van het Frituur Festival in Leeuwarden bedachten dat ze sponsoren nodig hadden, dacht hij: weet je wat? We doen een wedstrijd ‘bedenk een nieuwe kroket’, en de winnaar krijgt honderd kilo van het winnende recept, en die kilo’s maken wij.

Lachen. Vooral omdat niet een chefkok won, zoals verwacht, maar ik, hobbykok en verder nergens bijzonder goed in qua koken, maar wel in het maken van kroketten. Ik zocht vast een extra vriezer op Marktplaats, en na wat heen en weer mailen over het recept, ging ik naar Rijen om samen met de koks van De Jong de salpicon te maken (‘salpicon’ is moeilijk doen als je ragout wil zeggen). Dat ze daar koks hebben, zegt al genoeg. Dit is geen massaproductie. Het familiebedrijf De Jong begon als slager in 1927, ging in 1975 soepen maken, en sinds 2012 ook bitterballen en kroketten. Aangezien goede kroketten beginnen bij een goede bouillon, lag dat meer voor de hand dan je zou denken.

Koen de Jong had me gevraagd om zelf de belangrijkste ingrediënten uit te zoeken, dan wist hij zeker dat het de goede spullen waren. Dus was ik begin die week naar de groenteboer geweest. Als je je groenteboer sprakeloos wil krijgen, moet je je bossen kruiden voor de grap eens per kilo bestellen. “Maar buurvrouw…” zei hij na een volle minuut. “Wat gaat u daarmee doen?” Maar het kwam goed. Een paar dagen later stapte ik om 7 uur ’s ochtends in de trein naar Rijen, Brabant, met zes kilo verse groenten in mijn rugtas. De halloumi had ik laten bezorgen door de importeur. Dat leek me beter dan een rolcontainer in de trein.

In de fabriek deden we een aflevering van de Keuringsdienst van Waarde na, maar in plaats van een sceptisch tiepje dat lastige vragen stelde, was ik een blij ei dat in de weg liep om overal foto’s van te maken. Ze vonden het heel aandoenlijk. Hoop ik. Het kan ook zijn dat ze deden alsof en achter mijn rug om met hun ogen rolden, maar dat heb ik er voor over.

Al mijn kruiden gingen in een hakmachine. Ik moest aangeven hoe fijn ze moesten worden. De bouillon stond al klaar, die hadden ze de dag ervoor gemaakt. Ik wilde proeven. En – krek as ’t nie waar is, zou mijn oma zeggen – het smaakte net als bij mij thuis. “Ja,” zei de kok simpel. “We hebben je recept wel gelezen…” Ook aan de ingrediëntenlijst op de doos is te zien: er ging letterlijk niets anders in dan de vier ingrediënten die ik thuis ook in de bouillon gooi.

Trouwens, verder was het proces ook verbluffend identiek. Idioot veel salpicon maken in een fabriek, is gewoon hetzelfde als salpicon maken thuis in je sjieke Le Creuset pannetje. Alleen lelijker. Zelf zie je er niet uit met je witte jas aan en je haarnetje, en de pan is ook veranderd in een groot monster. En als er ‘een snufje zout’ bij de salpicon moest, ging dat per emmertje. Daarna gingen die twee koks dan weer heel hard door die massa roeren met twee enorme gardes, en daarna mocht ik weer proeven. Beetje peper? vroegen we elkaar. Ja, beetje peper. Daar kwam weer een emmertje.

Het was ge-wel-dig. Ik heb in tijden niet zo’n lol gehad. Tussendoor haalde De Jong een paar soorten kroketten uit zijn magazijn zodat hij de soorten paneer die hij in de aanbieding had, kon laten zien. Het is Japanse panko geworden, die lekker grof is en mijn kroketjes een fijn krokant jasje geeft.

En nu die voorbeelden toch uit de vriezer waren, konden ze niet meer terug, natuurlijk. Hup, de frituur in, en om elf uur ’s ochtends hadden we allemaal al drie kroketten op. Ze maken daar heel lekkere kroketten, kan ik nu veilig zeggen. Die van mij het lekkerst, natuurlijk.